locaties

Locaties van Rvv COAL

Seizoen 1920/1921 op Woudenstein

COAL speelde in het eerste jaar een aantal "metsen" op het terreintje bij de Maashaven. Het verzoek om te worden toegelaten tot de voormalige RVB wordt, als alleformaliteiten zijn verricht toegestaan. COAL kon starten in de 3e klasse RVB. De moeilijkheden zijn dan voor een groot deel overwonnen. Het terreintje aan de Maashaven met kleedlokaal in het daar tegenoverliggend café, waarbij men

de wasgelegenheid moest zoeken op het toilet, wordt door de bond afgekeurd. Ook in die tijd liggen de voetbalvelden niet voor het oprapen, om het zo maar eens te noemen. Men moest praten met de Bond en met de Raad voor Lichamelijke Opvoeding en tenslotte kreeg COAL één speeltijd per zondag de beschikking over een veld op…….Woudenstein (Kralingen).

Van 1921 tot 1925 een veldje aan de Sluisjesdijk. Het verblijf op Woudenstein waar COAL al gauw de bijnaam van "puntschoppers" verwierf, bleef gelukkig beperkt tot één seizoen. Zo ver van honk voetballen is niet bevorderlijk voor de opbouw van de vereniging. De

verhuizing naar de Sluisjesdijk was dan al een hele verbetering. Nog beter werd het toen in 1925 op het overbekende Afrikaanderplein gespeeld kon worden.

Van 1925 tot 1928 op het overbekende Afrikaanderplein In het seizoen 1927/1928 vierde COAL niet alleen het kampioenschap én

promotie naar de "grote bond". Men beleefde wederom een verhuizing. Het grote sportcomplex "Kromme Zandweg" tegenover de Feijenoord-terreinen werd in gebruik genomen. 1928 dus naar het sportcomplex aan de Kromme Zandweg. Het eerste veld links van de ingang kreeg COAL toegewezen, hoewel spoedig daarna de "sintelbaan" werd betrokken. Op de Algemene ledenvergadering van maandag 26 juli 1937 kon de voorzitter met grote vreugde mededelen, dat COAL een eigen speelveld kon huren. Het enkele jaren eerder aangelegde veld achter de tribune van het Feijenoordterrein kon gehuurd worden. Het huren van dit veld hield echter één voorwaarde in; het moest door COAL zelf opgeknapt worden. De Algemene ledenvergadering ging met algemene stemmen vóór accoord. Het bestuur spuwde zich in de handen, trommelde een aantal leden op en begon aan de werkzaamheden. Het veld moest verbeterd worden, goede paden aangelegd en kleedlokalen moesten verschijnen. Tenslotte een omheining aan de voorkant.

Ter linkerzijde en ter rechterzijde was een sloot een natuurlijke afbakening. Aan de achterzijde strekte de weilanden zich uit. Het veld was niet bepaald in beste conditie. De "zodenstekers"met als specialist G. van Keulen fiksten dit karweitje wel. De "kool-as-rijders" met de blaren op hun kneisten raakten niet achter op het schema. En natuurlijk wilde de één de ander de loef afsteken. Blote-borstenwerkers die het gewend waren, kregen spoedig navolging van de niet-gewende, waardoor de "roodhuiden" in getale toenamen. De kleedlokalen kregen dankzij de SHV een fris tintje. Dobbelman-lekkerman zorgde voor de bekende Ïbis" om

de stemming niet te bederven. Op 3 september 1937 werd het.eigen speelveld officieel geopend met de wedstrijd COAL - DHZ Het weer werkte bijzonder mee, zodat het publiek in grote getale aanwezig was. Namens de KNVB sprak de heer Hibender, die de zelfwerkzaamheid van de COAL-mensen prees, afgevaardigden van diverse verenigingen kregen het woord en deden het middenveld in een bloementuin veranderen. Speciaal de verlichting in de kleedlokalen, door DHZ aangelegd, werd gewaardeerd. Ook de heer A. Kluwen, die destijds zijn medewerking had verleend bij de oprichting, was aanwezig en verrichtte om ongeveer kwart voor drie de aftrap, waarmee het veld officieel in gebruik was genomen. De wedstrijd zelf was vrij eentonig en vlak, maar dat was

in feite bijzaak. De uitslag??… 0-0. In het 1e Cluborgaan na de oorlog staat: "…want er is op het heele veld van Coal geen plankje meer te vinden. Dus, zij die nog steeds hout zoeken voor hun noodkacheltje, Dordtschestraatweg 437 is uitverkocht".

Er was na de oorlog (mei 1945) totaal niets meer over van enige accommodatie. Toch werd er weer gevoetbald. De toenmalige RVB organiseerde een linkermaasoevercompetitie tussen de 2e en 3e klassers alsmede Feijenoord 2. Coal bereikte de 2e plaats.

Daarna kwam de "herstel-competitie" COAL speelde voorlopig uitwedstrijden. Toen het veld weer bespeelbaar was, begonnen de lagere elftallen thuis te spelen. Kleedlokalen waren er nog niet, maar men gebruikte daartoe het schoolgebouw in de Sikkelstraat.

In maart 1946 kon het geheel gerestaureerde terrein met kleedlokalen geopend worden. Een mooi stenen gebouw bevatte twee kleedlokalen, een waslokaal, een scheidsrechter annex bestuurskamer en een materiaalhok.

OP 24 maart 1946 speelde COAL tegen SVV haar eerste na-oorlogse thuiswedstrijd aan de Dordtsestraatweg.

Tijdens de algemene ledenvergadering van 1948 werd er een Bouwfondscommissie geïnstalleerd waarin zitting namen R. de Winter, J. Verhoef en A.J. Mastenbroek. COAL had inmiddels de mededeling ontvangen dat in verband met uitbreidingen binnen afzienbare tijd de Dordtsestraatweg moest worden verlaten. De Bouwfondscommissie had alleen tot taak geld te verzamelen om straks in de gloednieuwe omgeving de broodnodige accommodatie te scheppen. Financiers zaten er niet in de vereniging en kwamen ook niet op een drafje aanhollen om enige duizenden te steken in een eenvoudig, doch doeltreffend project van een 2e klasser van de KNVB. Uit eigen middelen ging niet, want er was hoegenaamd niets. Versta me nu niet verkeerd; de toenmalige penningmeester J. de Bruyn had heus wel geld, dat hij overigens zeer goed beheerde. Maar er kon niets uit de kas worden onttrokken voor reservering. De vraag was dus, hoe kom je aan geld en waar haal je het vandaan? Een moeilijke taak dus, die de commissie mee kreeg op haar weg.

De 2e Kromme Zandwegperiode. In het vroege voorjaar van 1950 sjouwde enige leden betonplaatjes van, zo staat het in de jubileumuitgave 1919-1969, 200 á 250 kilo om langszij het veld aan de Dordtsestraatweg een staantribune te produceren, waardoor een groot aantal toeschouwers beter zicht kreeg op de wedstrijd. En toen zo'n honderd tot hondervijftig van die onhandelbare platen een plaatsje hadden gevonden, kwam van gemeentewegen het "verheugende" bericht dat aan het eind van dat seizoen de velden aan de Dordtsestraatweg moesten worden verlaten. In zo'n geval zou je als sjouwer allicht enige krachttermen gebezigd hebben.

Diezelfde kerels echter waren blaren en andere ellende allang vergeten toen ze enige maanden later opnieuw meewerkte aan het transport naar de Kromme Zandweg. Verder werd er weinig arbeid verricht, omdat deze verhuizing slechts een tijdelijke zou zijn.

Voorheen speelde CVV hier gedurende een tiental jaren. Uitgerekend tegen deze vereniging moest COAL op de wielerbaan, zoals veelal dit terrein werd genoemd, de competitie beginnen (1-1) COAL werd wel de trotse bezitter van een zittribune met 750 plaatsen. Zo'n zitplaats kostte toe ƒ 0,75. Ieder lid kon een plaats reserveren voor een héél jaar á raison van ƒ 1,00 ; elke donateur en donatrice voor ƒ 2,50. Het duurde nog zeven jaar alvorens COAL wederom de verhuiswagen kon bestellen.

Vanaf het seizoen 1956/1957 speelt COAL op het huidige complex aan de Oldegaarde. Alvorens COAL de terreinen aan de Oldegaarde zou gaan bespelen, moest wel het enen en andere verzet worden. Slechts de grasmat was klaar, benevens het hekwerk rondom het terrein. Aan twee zijden werd dit hekwerk verstoord door de Smithoekseweg, die als een dwarsligger het complex in tweeën verdeelde. Maar je kunt een voltallig gezin, dat direct achter het terrein was gehuisvest, niet van de buitenwereld afsnijden. Ook tussen het tweede en het "halve"derde veld lag openbaar terrein in de vorm van een wandel- en fietspad. Dat "halve" vond zijn oorzaak in de verdeling van dit veld met de vereniging De Musschen. Om de andere week kon COAL dit veld bespelen. De ingang van

het terrein kwam aan de Smitshoekseweg. Spelen op het derde veld vergde wel een fikse wandeling met of zonder hindernissen. Op dit derde veld is hoogstens twee of drie keer gespeeld. In onderlinge afspraak met de buren zijn zij het veld gaan gebruiken. Juist toen COAL weer enige groei vertoonde, besloot het bestuur afstand te doen van het recht op gebruik van dit derde veld. Men besefte

te laat dat de ontstane situatie voor COAL minder rooskleurig werd. Met totaal 24 elftallen veranderde het tweede veld (waarop ook moest worden getraind) al snel in een "knollenland".

Even terug naar het begin. Kleedlokalen, kantine en afrastering waren het eerst nodig. Gelukkig vormde zich weer een ploeg, die als ware "doe-het-zelfers" veel werk verrichtte. Ome Jan de Vos werd genoemd als de grote animator bij de vele werkzaamheden op het terrein; graafwerk, schilderwerk, palen zetten, draden trekken, etc.. Onder soms zeer slechte weersomstandigheden moest gewerkt worden, denk daarbij aan het lossen van enige honderden tegels voor de bestrating.. Ome Jan was ook de doorzetter waar anderen de moed al hadden verloren. Avonden (en nachten!) was hij met soms slechts een handje vol mensen aan het werk. Dankzij de SHV werden de kleedlokalen opgetrokken. Voorts zorgde men voor een gebouwtje (van de Waalheven) dat dienst moest gaan doen als kantine. Ook de verf kwam van de SHV en op het laatste ogenblik stuurde men ook nog een paar schilders om alles op tijd klaar te krijgen. Op 4 november 1956 kon COAL de pers en de zusterverenigingen ontvangen voor de officiële opening. Het was voor COAL een bijzondere eer dat dhr. J.H. Oerlemans van de SHV bereid was de officiële openingshandeling, het hijsen van de COAL-vlag aan de grote vlaggenmast, te verrichten. Een bevredigend aantal toeschouwers keek vervolgens op deze mistige zondag naar de openingswedstrijd COAL - CVV.

In de zomervakantie van 1959 werd begonnen met de aanleg van de verlichting rondom het tweede veld. In totaal kwamen tien lichtmasten langszij te staan en wel 2 x 4 in de lengte van het veld en achter elk doel één. Wer begon Jan de Vos met o.a. Jaap Kaak en Bram de Vos aan een karwei dat door deze zelfwerkzaamheid stukker goedkoper werd. In oktober was men daarmee klaar en toen men de totale verlichting inschakelde, werd dit door een grote schare aanschouwd. Ter gelegenheid van de ingebruikname van de lichtinstallatie werd de wedstrijd COAL - De Musschen gespeeld. Deze wedstrijd had overigens een tweeledig doel, want het 1e elftal nam tevens afscheid van Toon Thape, die de tijd gekomen achtte om in een lager elftal nog wat te freewheelen. In deze periode vertelde de toenmalige voorzitter Okkerse "..….Als ons eerste thuis speelde hadden we altijd lekker veel toeschouwers. Eén ding was jammer; niemand betaalde! Aan twee zijden van ons veld liep een weg, vanwaar men de wedstrijden prima volgen kon. Veel publiek en toch een jammerende penningmeester. " Gelukkig hielp de Gemeente een handje. In 1961 werd de situatie rondom de velden drastisch gewijzigd. De Smitshoekseweg kon verdwijnen omdat de laatste bewoners vertrokken. Het 1e veld werd tien meter opgeschoven waardoor één "publieke" zijde wegviel. Toen pas werd het complex één geheel. Toen ook kwam de ingang rechts aan de Oldegaarde dichtbij het parkeerterrein. Maar met het verdwijnen van de bewoners achter het terrein vermeerderde de kans op inbraken heel erg. Nu was er immers helemaal geen levend wezen meer in de buurt. En die hielden voorheen de grijpgrage vingers weg van onze bezittingen.Toen ook kwam voor de andere zijde (de Oldegaardekant) het gordijntjes-plan op de proppen. Door een jute-gordijn op te hangen konden de mensen op de Oldegaarde alles van de wedstrijd "horen" maar niets meer zien. Daar het oog ook wat wil, kwam men toen maar het veld op. In een gordijnloos seizoen ontving de penningmeester in 11 thuiswedstrijden 600 gulden. De eerste wedstrijd achter het gordijn leverde al 200 gulden op! Eén bewoner van de Oldegaarde was het helemaal niet eens met dat gordijn. "Het belemmert hetuitzicht" kwam hij na afloop van de eerste gordijnwedstrijd woedend vertellen.

In 1965 was de accommodatie geen oogstrelend geheel meer. Een oud, vervallen materiaalhokje, een verveloze kantine, onverzorgde paden, een rommelige middenstrook waren even zovele doornen in de ogen van de bestuurders. Voorzitter Roobol (was inmiddels Okkerse opgevolgd) en Secretaris Jan de Vos zijn de promotors geweest om de plannen tot nieuwbouw goedgekeurd te krijgen. Heel wat uurtjes brachten zij door op Stadhuis, Stadstimmerhuis, bij de architect en de toekomstige bouwer. Financieel werd de bouw flink gesteund door de SHV en in de zomer van 1965 kon met de bouw worden begonnen. Een bijzonder symphatiek gebaar was de uitnodiging aan Jan's vrouw mevr. A. de Vos-Bos om de eerste steen te leggen. Dit gebeurde na een korte plechtigheid op zaterdag 30 oktober 1965.


In juni 1966 de eerste tegenslag. Het clubgebouw (hoewel nog niet helemaal klaar, toch al in gebruik) kreeg bezoek van jeugdige vandalen die een aanzienlijke schade aanrichten. Zusterverenigingen in de Groengordel ondergingen op bepaalde tijden hetzelfde lot en al nam men hier en daar maatregelen om de knapen van het lijf te houden, het lukte niet altijd. De geïsoleerdheid van de gebouwen werkte het vandalisme in de hand.

Delen

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!